De stenen klok
2 februari 2026
Een vertelling vanuit steen en geheugen, tijdens de verwoesting van Dresden.
13 februari 1945
Ze komen in zwermen, als een Egyptische plaag gezonden door Mozes. De eerste vliegtuigen werpen de kerstbomen; een sardonische koosnaam voor de parachutefakkels die de hemel deden schitteren.
Onheilssterren, die de vliegtuigen door het donker lokken naar mijn stad langs de Elbe. Onder het schelle gezang van de sirenes kruipen mijn stadsgenoten in kelders en tunnels, zoekend naar veiligheid.
Honderden toestellen, aangedreven door propellers, dompelen met de precisie van een uurwerk de stad in een inferno. In de crypte roert zich mijn kudde; driehonderd mannen, vrouwen en kinderen opeengepakt, terwijl buiten de vlammenzee op mijn koepel neerdaalt.
Ach, mijn arme kudde, die het kruis boven mijn altaar verwisselde voor een ander – één zo zwart als de nacht en aangescherpt met vileine haken, geplant in een veld van bloed.
Tussen de rook en het vuur zie ik mijn geliefde Dresden vergaan. De stad waarvan ik tweehonderd jaar een inwoner ben geweest.
In de verte doorstaan de torens van mijn zusters – de Katholische Hofkirche en Kreuzkirche – het bombardement, terwijl de vlammen likken aan mijn voeten en de rook mijn interieur blakert in ontelbare tinten zwart.
Tot aan het ochtendgloren houd ik stand. Mensen huilen in mijn crypte. Het is voor hen dat ik volhard; al kraak en kreun ik bij iedere inslag.
Ik weet dat mijn tijd is gekomen, doch blijf ik staan. In de verzengende hitte houd ik mijn pilaren overeind.
Een voor een stroomt de kudde uit mijn lijf; mijn gesteente bros, mijn tijdsbesef vergaan.
Ik gedenk de dag dat Johann Sebastian Bach mijn toetsen beroerde en ik kortstondig meer was dan steen.
De keren dat de mooiste liederen in mijn binnenste klonken, maar bovenal herinner ik het samenzijn en het lief en leed dat ik met mijn stadsgenoten heb gedeeld.
Vanuit mijn toren aanschouw ik een laatste maal de waanzin die oorlog heet. Steen en mortel kraken wanneer het laatste kind de crypte verlaat.
Dan bezwijken mijn voeten als die van een oud paard en stort ik in.
***
Duisternis; gebeente bijeengeraapt, genummerd en bewaard. Decennia verstrijken in leegte tot ik ontwaak.
Mijn stad is gebleven – met nieuwe buren, oude vrienden en de Elbe die mij herkent.
– Frauenkirche, Dresden